Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
rutschen
[past form: rutschte]
01
glijden
Sich auf einer glatten Oberfläche unbeabsichtigt oder kontrolliert bewegen, oft mit geringer Reibung
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
bewegingswerkwoord
regelmatig
hulpwerkwoord
sein
1e persoon enkelvoud
rutsche
3e persoon enkelvoud
rutscht
onvoltooid deelwoord
rutschend
onvoltooid verleden tijd
rutschte
voltooid deelwoord
gerutscht
Voorbeelden
Die Schlitten rutschen über den Schnee.
De sleeën glijden over de sneeuw.



























