Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
passen
01
passen, geschikt zijn
Die richtige Größe oder Form für etwas oder jemanden haben
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
toestandswerkwoord
regelmatig
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
passe
3e persoon enkelvoud
passt
onvoltooid deelwoord
passend
onvoltooid verleden tijd
passte
voltooid deelwoord
gepasst
Voorbeelden
Die Schuhe passen mir nicht.
De schoenen passen me niet.



























