Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
passieren
01
gebeuren, plaatsvinden
Etwas geschieht oder findet statt
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
toestandswerkwoord
regelmatig
hulpwerkwoord
either
1e persoon enkelvoud
passiere
3e persoon enkelvoud
passiert
onvoltooid deelwoord
passierend
onvoltooid verleden tijd
passierte
voltooid deelwoord
passiert
Voorbeelden
Was ist gestern Abend passiert?
Wat is er gisteravond gebeurd ?
02
voorbijgaan, doorkruisen
An einem Ort vorbeigehen oder durch etwas hindurchkommen
Voorbeelden
Wir sind gestern an deinem Haus vorbeigepasst.
Gisteren zijn we langs je huis gelopen.



























