Zoeken
passieren
[past form: passierte]
01
gebeuren, plaatsvinden
Etwas geschieht oder findet statt
Voorbeelden
Man weiß nicht, was genau passiert ist.
Niemand weet precies wat er gebeurd is.
02
voorbijgaan, doorkruisen
An einem Ort vorbeigehen oder durch etwas hindurchkommen
Voorbeelden
Passierst du oft diesen Weg?
Ga je vaak langs deze weg ?


























