Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
nützen
[past form: nützte]
01
dienen, nuttig zijn
Einen positiven Effekt haben
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
toestandswerkwoord
regelmatig
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
nütze
3e persoon enkelvoud
nützt
onvoltooid deelwoord
nützend
onvoltooid verleden tijd
nützte
voltooid deelwoord
genützt
Voorbeelden
Was nützt das alles?
Waar dient dit allemaal voor?



























