Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
nähern
[past form: näherte]
01
naderen, benaderen
Langsam zu jemandem oder etwas hingehen oder hinkommen
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
afgeleid
bewegingswerkwoord
regelmatig
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
nähere
3e persoon enkelvoud
nähert
onvoltooid deelwoord
nähernd
onvoltooid verleden tijd
näherte
voltooid deelwoord
genähert
Voorbeelden
Ein Sturm nähert sich der Küste.
Een storm nadert de kust.



























