Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
machen
01
maken
Etwas herstellen oder produzieren
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
regelmatig
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
mache
3e persoon enkelvoud
macht
onvoltooid deelwoord
machend
onvoltooid verleden tijd
machte
voltooid deelwoord
gemacht
Voorbeelden
Er macht eine Tasse Kaffee.
Hij maakt een kopje koffie.
02
doen, uitvoeren
Eine Tätigkeit ausführen
Voorbeelden
Wir machen Sport.
Wij doen aan sport.
03
veroorzaken, teweegbrengen
Verursachen oder bewirken
Voorbeelden
Der Regen macht alles nass.
De regen maakt alles nat.
04
geven, verstrekken
Geben oder ergeben
Voorbeelden
Das macht 20 Euro.
Dat maakt 20 euro.
05
kosten, waard zijn
Einen bestimmten Preis haben
Voorbeelden
Der Urlaub macht 1000 Euro.
De vakantie kost 1000 euro.
06
de indruk geven, lijken
Den Eindruck haben
Voorbeelden
Sie macht glücklich.
Zij maakt gelukkig.
07
urineren, plassen
Urin lassen
Voorbeelden
Der Hund macht auf den Baum.
Doen op de boom.



























