leben
Pronunciation
/leːbən/

Definitie en betekenis van "leben"in het Duits

01

leven, wonen

An einem Ort wohnen und existieren
leben definition and meaning
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
toestandswerkwoord
regelmatig
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
lebe
3e persoon enkelvoud
lebt
onvoltooid deelwoord
lebend
onvoltooid verleden tijd
lebte
voltooid deelwoord
gelebt
Voorbeelden
Wo lebst du?
Leven betekent ergens wonen en bestaan.
02

rondkomen, het hoofd boven water houden

Seinen Alltag bewältigen
leben definition and meaning
Voorbeelden
Wir leben mit wenig Geld.
Wij leven met weinig geld.
03

leven, in leven zijn

Am Leben sein
leben definition and meaning
Voorbeelden
Ich will hundert Jahre leben.
Ik wil honderd jaar leven.
01

Die Zeit zwischen Geburt und Tod

grammaticale informatie
bezieldheidsstatus
abstract
morfologische samenstelling
samenstelling
telbaar
geslacht
onzijdig
genitiefvorm
Lebens
meervoudsvorm
Leben
Voorbeelden
Das ist das beste Leben!
LanGeek
Download de App
langeek application

Download Mobile App

App Store