Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
lassen
01
laten, verlaten
Etwas nicht verändern oder nicht eingreifen
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
sterk
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
lasse
3e persoon enkelvoud
lässt
onvoltooid deelwoord
lassend
onvoltooid verleden tijd
ließ
voltooid deelwoord
gelassen
Voorbeelden
Lass das! Das ist gefährlich.
Laat dat ! Het is gevaarlijk.
02
geven, schenken
Jemandem etwas überlassen oder schenken
Voorbeelden
Sie ließ den Kindern ihr Spielzeug.
Ze liet de kinderen haar speelgoed.
03
laten, toestaan
Erlauben, dass jemand etwas tut
Voorbeelden
Der Lehrer lässt die Schüler Fragen stellen.
De leraar laat de leerlingen vragen stellen.
04
laten doen
Veranlassen, dass jemand etwas tut
Voorbeelden
Wir lassen das Haus renovieren.
We laten het huis renoveren.
05
kan gedaan worden
Etwas ist möglich zu tun
Voorbeelden
Es lässt sich nicht ändern.
Laat zich niet veranderen.



























