Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
kreuzen
[past form: kreuzte]
01
ronddwalen, zwerven
Sich durch ein Gebiet bewegen, ohne ein genaues Ziel zu haben
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
bewegingswerkwoord
sterk
hulpwerkwoord
either
1e persoon enkelvoud
kreuze
3e persoon enkelvoud
kreuzt
onvoltooid deelwoord
kreuzend
onvoltooid verleden tijd
kreuzte
voltooid deelwoord
gekreuzt
Voorbeelden
Ein Schiff kreuzte vor der Küste.
Een schip kruiste voor de kust.



























