Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
knien
[past form: kniete]
01
knielen, op de knieën zitten
Sich auf die Knie niederlassen oder in dieser Position verweilen
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
regelmatig
hulpwerkwoord
either
1e persoon enkelvoud
knie
3e persoon enkelvoud
kniet
onvoltooid deelwoord
kniend
onvoltooid verleden tijd
kniete
voltooid deelwoord
gekniet
Voorbeelden
Sie kniete sich hin, um die Blumen zu pflanzen.
Ze knielde neer om de bloemen te planten.



























