Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
kaputtgehen
01
kapot gaan, stuk gaan
Durch äußere Einwirkung oder Gebrauch beschädigt werden und nicht mehr funktionieren
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
frasal
actiewerkwoord
regelmatig
scheidbaar
partikel
kaputt
basiswerkwoord
gehen
hulpwerkwoord
sein
1e persoon enkelvoud
gehe kaputt
3e persoon enkelvoud
geht kaputt
onvoltooid deelwoord
kaputtgehend
onvoltooid verleden tijd
ging kaputt
voltooid deelwoord
kaputtgegangen
Voorbeelden
Die Waschmaschine ist nach 10 Jahren kaputtgegangen.
De wasmachine is na 10 jaar kapot gegaan.



























