Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
hageln
[past form: hagelte]
01
hagelen, hagel vallen
Tausende kleine Eiskugeln vom Himmel fallen
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
regelmatig
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
hag(e)le
3e persoon enkelvoud
hagelt
onvoltooid deelwoord
hagelnd
onvoltooid verleden tijd
hagelte
voltooid deelwoord
gehagelt
Voorbeelden
Es hagelte so stark, dass Autos beschädigt wurden.
Het hagelde zo hard dat auto's beschadigd raakten.



























