Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
grüßen
[past form: grüßt]
01
groeten, verwelkomen
Jemandem durch Worte oder Gesten zeigen, dass man ihn erkennt oder respektiert
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
regelmatig
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
grüße
3e persoon enkelvoud
grüßt
onvoltooid deelwoord
grüßend
onvoltooid verleden tijd
grüßt
voltooid deelwoord
gegrüßt
Voorbeelden
Wir grüßen die Gäste bei der Ankunft.
We begroeten de gasten bij aankomst.



























