Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
gehören
01
behoren tot, deel uitmaken van
Im Besitz von jemandem sein oder zu etwas zählen
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
frasal
toestandswerkwoord
regelmatig
onscheidbaar
partikel
ge
basiswerkwoord
hören
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
gehöre
3e persoon enkelvoud
gehört
onvoltooid deelwoord
gehörend
onvoltooid verleden tijd
gehörte
voltooid deelwoord
gehört
Voorbeelden
Die Tasche gehört meiner Mutter.
De tas behoort toe aan mijn moeder.



























