Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
fesseln
01
boeien, vastbinden
Jemanden oder etwas mit Fesseln fixieren, um Bewegung zu verhindern
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
regelmatig
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
fessele
3e persoon enkelvoud
fesselt
onvoltooid deelwoord
fesselnd
onvoltooid verleden tijd
fesselte
voltooid deelwoord
gefesselt
Voorbeelden
Die Gefangenen wurden an den Händen gefesselt.
De gevangenen werden geboeid aan de handen.
02
boeien, fascineren
Jemandes Aufmerksamkeit oder Interesse stark binden
Voorbeelden
Der Roman fesselte mich von der ersten Seite an.
De roman boeide me vanaf de eerste pagina.



























