fesseln
Pronunciation
/ˈfɛsl̩n/

Definitie en betekenis van "fesseln"in het Duits

fesseln
01

boeien, vastbinden

Jemanden oder etwas mit Fesseln fixieren, um Bewegung zu verhindern
fesseln definition and meaning
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
regelmatig
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
fessele
3e persoon enkelvoud
fesselt
onvoltooid deelwoord
fesselnd
onvoltooid verleden tijd
fesselte
voltooid deelwoord
gefesselt
Voorbeelden
Der Hund wurde nachts an eine Hundehütte gefesselt.
De hond werd 's nachts aan een hondenhok vastgebonden.
02

boeien, fascineren

Jemandes Aufmerksamkeit oder Interesse stark binden
fesseln definition and meaning
Voorbeelden
Der Krimi fesselte mich so sehr, dass ich die ganze Nacht las.
De thriller boeide me zo erg dat ik de hele nacht las.
LanGeek
Download de App
langeek application

Download Mobile App

App Store