faulenzen
faulenzen
faʊ̯lɛnt͡sn
fawlentsn

Definitie en betekenis van "faulenzen"in het Duits

faulenzen
01

luieren, lummelen

Absichtlich nichts tun oder arbeiten, oft mit einem negativen Unterton 
faulenzen definition and meaning
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
regelmatig
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
faulenze
3e persoon enkelvoud
faulenzt
onvoltooid deelwoord
faulenzend
onvoltooid verleden tijd
faulenzte
voltooid deelwoord
gefaulenzt
Voorbeelden
Er faulenzt den ganzen Tag auf dem Sofa. 

Hij luiert de hele dag op de bank.

LanGeek
Download de App
langeek application

Download Mobile App

App Store