Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
bücken
01
bukken, vooroverbuigen
Den Oberkörper nach vorne und unten beugen, um etwas aufzuheben oder besser zu sehen
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
bewegingswerkwoord
regelmatig
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
bücke
3e persoon enkelvoud
bückt
onvoltooid deelwoord
bückend
onvoltooid verleden tijd
bückte
voltooid deelwoord
gebückt
Voorbeelden
Er bückte sich, um das Buch aufzuheben.
Hij boog zich om het boek op te rapen.



























