bücken
bücken
bʏkng
bukng
beckenbackenbocken

Definitie en betekenis van "bücken"in het Duits

bücken
01

bukken, vooroverbuigen

Den Oberkörper nach vorne und unten beugen, um etwas aufzuheben oder besser zu sehen 
bücken definition and meaning
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
bewegingswerkwoord
regelmatig
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
bücke
3e persoon enkelvoud
bückt
onvoltooid deelwoord
bückend
onvoltooid verleden tijd
bückte
voltooid deelwoord
gebückt
Voorbeelden
Er bückte sich, um das Buch aufzuheben. 

Hij boog zich om het boek op te rapen.

LanGeek
Download de App
langeek application

Download Mobile App

App Store