Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
bewirken
01
veroorzaken, teweegbrengen
Eine bestimmte Wirkung oder ein Ergebnis herbeiführen
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
frasal
actiewerkwoord
regelmatig
onscheidbaar
partikel
be
basiswerkwoord
wirken
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
bewirke
3e persoon enkelvoud
bewirkt
onvoltooid deelwoord
bewirkend
onvoltooid verleden tijd
bewirkte
voltooid deelwoord
bewirkt
Voorbeelden
Seine Entschuldigung bewirkte eine Versöhnung.
Zijn verontschuldiging veroorzaakte een verzoening.



























