Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
ausreden
01
uitpraten, het spreken beëindigen
Eine Äußerung oder Erklärung zu Ende führen, ohne unterbrochen zu werden
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
frasal
actiewerkwoord
regelmatig
scheidbaar
partikel
aus
basiswerkwoord
reden
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
rede aus
3e persoon enkelvoud
redet aus
onvoltooid deelwoord
ausredend
onvoltooid verleden tijd
redete aus
voltooid deelwoord
ausgeredet
Voorbeelden
Er konnte seinen Satz nicht ausreden.
Hij kon zijn zin niet afmaken.



























