auspacken
auspacken
aʊ̯spakng
awspakng

Definitie en betekenis van "auspacken"in het Duits

auspacken
01

uitpakken, ontpakken

Etwas aus einem Paket oder einer Tasche herausnehmen 
auspacken definition and meaning
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
frasal
actiewerkwoord
regelmatig
scheidbaar
partikel
aus
basiswerkwoord
packen
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
packe aus
3e persoon enkelvoud
packt aus
onvoltooid deelwoord
auspackend
onvoltooid verleden tijd
packte aus
voltooid deelwoord
ausgepackt
Voorbeelden
Ich packe meine Koffer nach der Reise aus. 

Ik pak mijn koffers uit na de reis.

LanGeek
Download de App
langeek application

Download Mobile App

App Store