auskennen
Pronunciation
/ˈaʊ̯sˌkɛnən/

Definitie en betekenis van "auskennen"in het Duits

auskennen
01

kennis hebben, thuis zijn in

Sich in einem Bereich gut auskennen
auskennen definition and meaning
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
frasal
toestandswerkwoord
regelmatig
scheidbaar
partikel
aus
basiswerkwoord
kennen
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
kenne mich aus
3e persoon enkelvoud
kennt sich aus
onvoltooid deelwoord
sich auskennend
onvoltooid verleden tijd
kannte aus
voltooid deelwoord
ausgekannt
Voorbeelden
Sie kennt sich in Steuerrecht aus.
Zij is thuis in belastingrecht.
LanGeek
Download de App
langeek application

Download Mobile App

App Store