aufhören
Pronunciation
/ˈaʊ̯fhøːʀən/

Definitie en betekenis van "aufhören"in het Duits

aufhören
01

stoppen, ophouden

Eine Tätigkeit beenden
aufhören definition and meaning
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
frasal
actiewerkwoord
regelmatig
scheidbaar
partikel
auf
basiswerkwoord
hören
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
höre auf
3e persoon enkelvoud
hört auf
onvoltooid deelwoord
aufhörend
onvoltooid verleden tijd
hörte auf
voltooid deelwoord
aufgehört
Voorbeelden
Hör bitte mit dem Lärm auf!
Stop alsjeblieft met het lawaai !
02

ophouden, eindigen

Aufhören zu existieren oder weiterzugehen
Voorbeelden
Der Unterricht hat um 12 Uhr aufgehört.
De les is om 12 uur gestopt.
LanGeek
Download de App
langeek application

Download Mobile App

App Store