Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
aufladen
01
opladen, laden
Elektrische Energie in ein Gerät oder eine Batterie bringen
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
frasal
actiewerkwoord
sterk
scheidbaar
partikel
auf
basiswerkwoord
laden
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
lade auf
3e persoon enkelvoud
lädt auf
onvoltooid deelwoord
aufladend
onvoltooid verleden tijd
lud auf
voltooid deelwoord
aufgeladen
Voorbeelden
Das E-Auto lädt an der Station auf.
De elektrische auto laadt op bij het station.
02
laden, inladen
Etwas auf ein Fahrzeug oder eine Fläche legen, um es zu transportieren
Voorbeelden
Sie laden die Waren auf das Schiff auf.
Zij laden de goederen op het schip.



























