Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
sich anziehen
01
aantrekken, aankleden
Kleidung auf den Körper machen
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
frasal
actiewerkwoord
regelmatig
scheidbaar
partikel
an
basiswerkwoord
ziehen
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
ziehe an
3e persoon enkelvoud
zieht an
onvoltooid deelwoord
anziehend
onvoltooid verleden tijd
zog an
voltooid deelwoord
angezogen
Voorbeelden
Sie zieht ein Kleid an.
Ze trekt een jurk aan.
02
aantrekken, bekoren
Etwas macht, dass etwas näher kommt
Voorbeelden
Das Licht zieht Insekten an.
Het licht trekt insecten aan.



























