Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
anschließen
01
aansluiten, inpluggen
Ein elektrisches Gerät mit einer Stromquelle verbinden
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
frasal
actiewerkwoord
regelmatig
scheidbaar
partikel
an
basiswerkwoord
schließen
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
schließe an
3e persoon enkelvoud
schließt an
onvoltooid deelwoord
anschließend
onvoltooid verleden tijd
schloss an
voltooid deelwoord
angeschlossen
Voorbeelden
Ich habe die Lampe angeschlossen.
Ik heb de lamp aangesloten.
02
vastmaken, bevestigen
Etwas mechanisch befestigen oder verbinden
Voorbeelden
Die Kette muss an das Fahrrad angeschlossen werden.
De ketting moet aan de fiets worden aangesloten.
03
zich aansluiten, toetreden
Sich einer Gruppe oder Sache freiwillig hinzufügen
Voorbeelden
Die Firma schloss sich einem Umweltprojekt an.
Het bedrijf sloot zich aan bij een milieuproject.



























