ablegen
Pronunciation
/ˈapˌleːɡn̩/

Definitie en betekenis van "ablegen"in het Duits

ablegen
01

uitvaren, afvaren

Ein Schiff oder Boot aus einem Hafen oder von einem Anlegeplatz in Fahrt bringen und wegfahren lassen
ablegen definition and meaning
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
frasal
bewegingswerkwoord
regelmatig
scheidbaar
partikel
ab
basiswerkwoord
legen
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
lege ab
3e persoon enkelvoud
legt ab
onvoltooid deelwoord
ablegend
onvoltooid verleden tijd
legte ab
voltooid deelwoord
abgelegt
Voorbeelden
Wegen des Sturms konnte die Fähre nicht ablegen.
Vanwege de storm kon de veerboot niet afvaren.
02

afleggen, doen

Eine Prüfung oder ein offizielles Testverfahren formell durchführen und damit abschließen
ablegen definition and meaning
Voorbeelden
Wann legst du deine Führerscheinprüfung ab?
Wanneer leg je je rijexamen af?
LanGeek
Download de App
langeek application

Download Mobile App

App Store