Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
échapper
01
ontsnappen, ontkomen
sortir d'un endroit contre la volonté de quelqu'un ou éviter un danger
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
bewegingswerkwoord
hulpwerkwoord
avoir
1e persoon enkelvoud
échappe
1e persoon meervoud
échappons
1e persoon toekomende tijd
échapperai
onvoltooid deelwoord
échappant
voltooid deelwoord
échappé
1e persoon meervoud imperfectum
échappions
Voorbeelden
Le prisonnier a réussi à échapper à la prison.
De gevangene slaagde erin uit de gevangenis te ontsnappen.
02
ontglippen
sortir de la mémoire , ne plus se souvenir
Voorbeelden
Le nom du film m'a complètement échappé.
De naam van de film is me volledig ontglipt.



























