Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
Le voyageur
01
reiziger, passagier
personne qui se déplace d'un lieu à un autre, surtout pour un trajet long ou un voyage
grammaticale informatie
bezieldheidsstatus
mens
morfologische samenstelling
samenstelling
telbaar
geslacht
mannelijk
meervoudsvorm
voyageurs
Voorbeelden
Le voyageur attend son train sur le quai.
De reiziger wacht op zijn trein op het perron.
02
reiziger, reizigster
personne qui aime se déplacer souvent pour découvrir de nouveaux endroits
Voorbeelden
C'est un vrai voyageur, toujours en route.
Hij is een echte reiziger, altijd onderweg.



























