Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
user
01
uitputten, slijten
affaiblir progressivement (une personne, une ressource)
Voorbeelden
Tant de voyages d' affaires usent son énergie.
Zoveel zakenreizen putten zijn energie uit.
02
verslijten
se détériorer avec l'usage ou le temps
Voorbeelden
Les freins de la voiture s' usent rapidement en ville.
De remmen van de auto slijten snel in de stad.
03
oververmoeid raken, opbranden
se fatiguer excessivement
Voorbeelden
Les soignants s' usent pendant les crises sanitaires.
Verzorgers raken overmatig vermoeid tijdens gezondheidscrises.
04
gebruiken, benutten
faire usage de quelque chose (un droit, une qualité, un moyen)
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
hulpwerkwoord
avoir
1e persoon enkelvoud
use
1e persoon meervoud
usons
1e persoon toekomende tijd
userai
voltooid deelwoord
usé
1e persoon meervoud imperfectum
usions
Voorbeelden
Le juge a usé de son autorité pour rétablir l' ordre.
De rechter maakte gebruik van zijn autoriteit om de orde te herstellen.



























