Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
scier
01
zagen, met een zaag snijden
couper avec une scie
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
hulpwerkwoord
avoir
1e persoon enkelvoud
scie
1e persoon meervoud
scions
1e persoon toekomende tijd
scierai
onvoltooid deelwoord
sciant
voltooid deelwoord
scié
1e persoon meervoud imperfectum
sciions
Voorbeelden
Elle scie proprement sans faire d' éclats.
Ze zaagt netjes zonder splinters te maken.
02
verbazen, verbluffen
surprendre ou étonner extrêmement
informal
Voorbeelden
Leur invention a scié les experts.
Hun uitvinding verbaasde de experts.
03
verpletteren, vernietigen
battre violemment, réduire à l'état de loque
informal
Voorbeelden
Ce boxeur scie tous ses adversaires.
Deze bokser maait al zijn tegenstanders neer.



























