Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
savonner
01
inzeepen, met zeep wassen
nettoyer ou laver avec du savon
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
afgeleid
actiewerkwoord
hulpwerkwoord
avoir
1e persoon enkelvoud
savonne
1e persoon meervoud
savonnons
1e persoon toekomende tijd
savonnerai
voltooid deelwoord
savonné
1e persoon meervoud imperfectum
savonnions
Voorbeelden
Savonne bien tes cheveux avant de les rincer.
Zeep je haar goed in voordat je het uitspoelt.
02
zich inzepen, zich met zeep wassen
se laver le corps avec du savon
Voorbeelden
Les enfants doivent apprendre à bien se savonner.
Kinderen moeten leren zich goed te inzeepen.
03
berispen, uitfoeteren
réprimander sévèrement, faire des reproches
Voorbeelden
Le professeur a savonné les élèves bruyants.
De leraar berispte de luidruchtige leerlingen.



























