Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
rôtir
01
roosteren, braden
cuire un aliment à feu vif, au four ou à la broche
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
frasal
actiewerkwoord
onscheidbaar
hulpwerkwoord
avoir
1e persoon enkelvoud
rôtis
1e persoon meervoud
rôtissons
1e persoon toekomende tijd
rôtirai
onvoltooid deelwoord
rôtissant
voltooid deelwoord
rôti
1e persoon meervoud imperfectum
rôtissions
Voorbeelden
La viande a rôti pendant deux heures.
Het vlees braadde twee uur lang.
02
verbranden, roosteren
faire brûler, dessécher sous une chaleur intense
Voorbeelden
On va rôtir ici sans climatisation.
Zullen braden hier zonder airconditioning.
03
roosteren, braden
être exposé à une chaleur intense
Voorbeelden
Je rôtis dès que la température dépasse 30 degrés.
Ik word geroosterd zodra de temperatuur boven de 30 graden uitkomt.



























