Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
repousser
01
uitstellen
reporter à une date ultérieure
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
afgeleid
actiewerkwoord
hulpwerkwoord
avoir
1e persoon enkelvoud
repousse
1e persoon meervoud
repoussons
1e persoon toekomende tijd
repousserai
onvoltooid deelwoord
repoussant
voltooid deelwoord
repoussé
1e persoon meervoud imperfectum
repoussions
Voorbeelden
Le médecin a repoussé mon rendez-vous de deux jours.
De dokter stelde mijn afspraak twee dagen uit.
02
afwijzen, terugwijzen
refuser catégoriquement une proposition ou une avance
Voorbeelden
J' ai dû repousser leur offre commerciale désavantageuse.
Ik moest hun ongunstige zakelijke aanbod afwijzen.
03
opnieuw groeien, weer aangroeien
recommencer à pousser après une coupe ou une période d'arrêt
Voorbeelden
Si tu arroses bien, les plantes repousseront.
Als je goed water geeft, zullen de planten weer groeien.



























