Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
prĂȘter
01
lenen
donner quelque chose à quelqu'un pour un temps limité, en attendant qu'il le rende
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
hulpwerkwoord
avoir
1e persoon enkelvoud
prĂȘte
1e persoon meervoud
prĂȘtons
1e persoon toekomende tijd
prĂȘterai
onvoltooid deelwoord
prĂȘtant
voltooid deelwoord
prĂȘtĂ©
1e persoon meervoud imperfectum
prĂȘtions
Voorbeelden
Peux -tu me prĂȘter ton stylo ?
Kun je me je pen lenen?
02
lenen, uitlenen
donner de l'argent Ă quelqu'un avec l'attente qu'il le rembourse plus tard
Voorbeelden
Ils ont prĂȘtĂ© de l' argent Ă leur voisin.
Ze hebben geld geleend aan hun buurman.



























