prescrire
01
voorschrijven
ordonner l'usage d'un médicament ou d'un traitement
Voorbeelden
Peut -il prescrire ce médicament sans ordonnance?
Kan hij dit medicijn zonder recept voorschrijven?
02
verjaren, vervallen door verjaring
perdre sa validité légale après un certain délai
Voorbeelden
Les dettes fiscales peuvent prescrire.
Belastingschulden kunnen verjaren.



























