Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
pratiquer
01
beoefenen, oefenen
faire une activité régulièrement (sport, art, métier)
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
hulpwerkwoord
avoir
1e persoon enkelvoud
pratique
1e persoon meervoud
pratiquons
1e persoon toekomende tijd
pratiquerai
onvoltooid deelwoord
pratiquant
voltooid deelwoord
pratiqué
1e persoon meervoud imperfectum
pratiquions
Voorbeelden
Nous pratiquons la natation trois fois par semaine.
Wij beoefenen drie keer per week zwemmen.



























