Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
mijoter
01
sudderen, zachtjes koken
cuire lentement à feu doux dans un liquide
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
hulpwerkwoord
avoir
1e persoon enkelvoud
mijote
1e persoon meervoud
mijotons
1e persoon toekomende tijd
mijoterai
onvoltooid deelwoord
mijotant
voltooid deelwoord
mijoté
1e persoon meervoud imperfectum
mijotions
Voorbeelden
Les meilleures sauces doivent mijoter longtemps.
De beste sauzen moeten lang sudderen.
02
beramen, smokkelen
préparer secrètement un plan, souvent malveillant
Voorbeelden
Qu' est -ce que tu mijotes encore comme mauvais coup ?
Wat broed je weer uit als een slechte klap?
03
lang nadenken, peinzen
réfléchir longuement et intensément à quelque chose
Voorbeelden
L' écrivain mijotait ses phrases avec soin.
De schrijver peinsde zijn zinnen zorgvuldig uit.



























