Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
Le marron
01
kastanje, kastanjefruit
un fruit brun qui vient du châtaignier
grammaticale informatie
bezieldheidsstatus
onbezield
morfologische samenstelling
enkelvoudig
telbaar
geslacht
mannelijk
meervoudsvorm
marrons
Voorbeelden
En automne, on ramasse des marrons dans la forêt.
In de herfst verzamelen we kastanjes in het bos.
marron
01
kastanjebruin, bruin
qui a une teinte foncée proche du rouge et du noir
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
kwalitatief
niet gradueerbaar
mannelijk enkelvoud
marron
mannelijk meervoud
marron
vrouwelijk enkelvoud
marron
vrouwelijk meervoud
marron
Voorbeelden
Elle a les yeux marron.
Zij heeft bruine ogen.
02
betrapt, gepakt
pris dans une situation difficile ou sans issue
informeel
Voorbeelden
Il a essayé de fuir, mais il s'est fait marron par la police.
Hij probeerde te vluchten, maar hij werd marron gemaakt door de politie.
03
illegaal, ongeoorloofd
qui exerce une activité sans autorisation légale
Voorbeelden
Ce médecin marron soigne les gens sans autorisation.
Deze marron dokter behandelt mensen zonder toestemming.



























