Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
Le logement
01
huisvesting, woning
lieu où quelqu'un peut habiter ou être hébergé
grammaticale informatie
bezieldheidsstatus
onbezield
morfologische samenstelling
samenstelling
telbaar
geslacht
mannelijk
meervoudsvorm
logements
Voorbeelden
Le gouvernement aide à trouver un logement.
De overheid helpt bij het vinden van een woning.
02
woning, thuis
lieu où une personne vit, comme une maison ou un appartement
Voorbeelden
Son logement se trouve au troisième étage.
Zijn verblijf bevindt zich op de derde verdieping.



























