Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
gaver
01
overbelasten, verzadigen
fournir ou accumuler quelque chose en grande quantité
Voorbeelden
Les journaux gavent les lecteurs d' informations inutiles.
De kranten proppen de lezers vol met nutteloze informatie.
02
dwangvoederen, overvoeden
faire manger beaucoup à un animal, souvent pour le rendre gras
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
frasal
actiewerkwoord
onscheidbaar
hulpwerkwoord
avoir
1e persoon enkelvoud
gave
1e persoon meervoud
gavons
1e persoon toekomende tijd
gaverai
voltooid deelwoord
gavé
1e persoon meervoud imperfectum
gavions
Voorbeelden
Les dindes sont gavées avant Noël.
De kalkoenen worden voor Kerstmis vetgemest.
03
uitputten, vermoeien
rendre quelqu'un très fatigué ou épuisé par une activité
Voorbeelden
Les enfants m' ont gavé avec leurs questions sans fin.
De kinderen hebben me uitgeput met hun eindeloze vragen.



























