Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
crocheter
01
haken, werken met een haaknaald
réaliser des ouvrages en entrelaçant du fil avec un crochet, comme pour le tricot ou la dentelle
Voorbeelden
Les enfants ont commencé à crocheter sous la supervision de la professeure.
De kinderen begonnen te haken onder toezicht van de lerares.
02
openbreken, kraken
manipuler une serrure à l'aide d'un fil ou d'un petit outil pour l'ouvrir sans clé
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
frasal
actiewerkwoord
onscheidbaar
hulpwerkwoord
avoir
1e persoon enkelvoud
crochète
1e persoon meervoud
crochetons
1e persoon toekomende tijd
crochèterai
voltooid deelwoord
crocheté
1e persoon meervoud imperfectum
crochetions
Voorbeelden
Elle a appris à crocheter les cadenas lors d' un atelier de survie.
Ze leerde hangsloten openen in een overlevingstrainingsworkshop.



























