Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
chasser
01
jagen, achtervolgen
poursuivre et capturer des animaux pour se nourrir ou pour le sport
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
frasal
bewegingswerkwoord
onscheidbaar
hulpwerkwoord
avoir
1e persoon enkelvoud
chasse
1e persoon meervoud
chassons
1e persoon toekomende tijd
chasserai
voltooid deelwoord
chassé
1e persoon meervoud imperfectum
chassions
Voorbeelden
Les hommes chassent avec des fusils dans la forêt.
De mannen jagen met geweren in het bos.
02
verdrijven, uitzetten
faire sortir quelqu'un ou quelque chose d'un endroit de force
Voorbeelden
Le propriétaire chasse les locataires qui ne paient pas
De eigenaar jaagt de huurders die niet betalen weg.
03
verjagen, wegjagen
éloigner ou faire partir quelqu'un ou quelque chose
Voorbeelden
La musique chasse les moustiques de la terrasse
De muziek verdrijft de muggen van het terras.



























