Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
cancaner
01
roddelen, kletsen
parler beaucoup et souvent de façon indiscrète ou frivole
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
frasal
actiewerkwoord
onscheidbaar
hulpwerkwoord
avoir
1e persoon enkelvoud
cancane
1e persoon meervoud
cancanons
1e persoon toekomende tijd
cancanerai
voltooid deelwoord
cancané
1e persoon meervoud imperfectum
cancanions
Voorbeelden
Les adolescents cancanent dans la cour de récréation.
De tieners roddelen op de speelplaats.
02
snateren, kakelen
jacasser, cri de l'oie
Voorbeelden
Les petits canards cancanent en suivant leur mère.
De eendjes kwaken terwijl ze hun moeder volgen.



























