Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
bouffer
01
eten, schrokken
manger (langage très familier, parfois vulgaire)
Voorbeelden
On bouffe où ce soir ?
Waar eten we vanavond?
02
verslinden, gulzig verbruiken
onsommer de manière excessive et vorace (ressources, énergie, argent)
Voorbeelden
Ton portable bouffe la batterie en deux heures !
Je telefoon vreet de batterij op in twee uur.
03
opblazen, opzwepen
faire gonfler un tissu ou matériau
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
hulpwerkwoord
avoir
1e persoon enkelvoud
bouffe
1e persoon meervoud
bouffons
1e persoon toekomende tijd
boufferai
onvoltooid deelwoord
bouffant
voltooid deelwoord
bouffé
1e persoon meervoud imperfectum
bouffions
Voorbeelden
Elle aime les robes qui bouffent à la taille.
Zij houdt van jurken die opbollen bij de taille.



























