aigrir
01
verbitteren, irriteren
rendre quelqu'un de mauvaise humeur
Voorbeelden
Les retards répétés aigrissent tout le monde.
Herhaalde vertragingen ergeren iedereen.
02
verzuren, bederven
devenir acide ou désagréable au goût
Voorbeelden
La sauce va aigrir si tu ajoutes trop de vinaigre.
De saus zal zuur worden als je te veel azijn toevoegt.



























