Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
affaiblir
01
verzwakken, verzwakken
rendre quelque chose moins fort, moins résistant ou moins vigoureux sur le plan physique
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
afgeleid
actiewerkwoord
hulpwerkwoord
avoir
1e persoon enkelvoud
affaiblis
1e persoon meervoud
affaiblissons
1e persoon toekomende tijd
affaiblirai
onvoltooid deelwoord
affaiblissant
voltooid deelwoord
affaibli
1e persoon meervoud imperfectum
affaiblissions
Voorbeelden
Le froid a affaibli les matériaux du bâtiment.
De kou heeft de bouwmaterialen verzwakt.
02
verzwakken, ondermijnen
devenir moins fort, moins résistant ou moins vigoureux sur le plan physique
Voorbeelden
Ses muscles s' affaiblissent faute d' exercice.
Zijn spieren verzwakken door gebrek aan beweging.



























