Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
transitar
01
oversteken
ir o pasar por un lugar, especialmente a pie o en movimiento
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
bewegingswerkwoord
regelmatig
1e persoon enkelvoud
transito
3e persoon enkelvoud
transita
onvoltooid deelwoord
transitando
onvoltooid verleden tijd
transitó
voltooid deelwoord
transitado
Voorbeelden
Transitamos el parque al atardecer.
We lopen door het park bij zonsondergang.



























