Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
hacer juego
01
passen, afstemmen
combinar bien con algo o ser apropiado
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
frasal
toestandswerkwoord
regelmatig
onscheidbaar
1e persoon enkelvoud
hago juego
3e persoon enkelvoud
hace juego
onvoltooid deelwoord
haciendo juego
onvoltooid verleden tijd
hizo juego
voltooid deelwoord
hecho juego
Voorbeelden
El diseño de la alfombra hace juego con los muebles.
Het ontwerp van het tapijt past bij het meubilair.



























