Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
hacer juego
01
passen, afstemmen
combinar bien con algo o ser apropiado
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
frasal
toestandswerkwoord
regelmatig
onscheidbaar
1e persoon enkelvoud
hago juego
3e persoon enkelvoud
hace juego
onvoltooid deelwoord
haciendo juego
onvoltooid verleden tijd
hizo juego
voltooid deelwoord
hecho juego
Voorbeelden
El color de la corbata hace juego con su camisa.
De kleur van de stropdas past bij zijn overhemd.



























