Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
atiborrar
01
volproppen, zich overeten
llenar o comer en exceso hasta sentirse saturado o demasiado lleno
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
frasal
actiewerkwoord
regelmatig
onscheidbaar
1e persoon enkelvoud
atiborro
3e persoon enkelvoud
atiborra
onvoltooid deelwoord
atiborrando
onvoltooid verleden tijd
atiborró
voltooid deelwoord
atiborrado
Voorbeelden
Se atiborró de pan antes de la cena.
Hij propte zich vol met brood voor het avondeten.



























