Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
timar
01
bedriegen, oplichten
engañar a alguien para quitarle dinero, especialmente de manera astuta
Voorbeelden
Me timaron en el mercado turístico, pagué el triple del precio real.
Ik werd op de toeristenmarkt getimd, ik betaalde drie keer de werkelijke prijs.



























